|
|
Prof.dr.ir
Hubert Rampersad
(Quality
Management Consulting Rotterdam)
Tip: Kijk ook eens naar
ons
artikel over invoeren van competentiemanagement.
Lerende organisaties faciliteren
het leerproces in al haar geledingen en transformeren zichzelf continu.
Dergelijke organisaties bestaan uit teams met een evenwicht van leerstijlen,
mensen wiens persoonlijke missie en visie in lijn zijn met die van de
organisatie en mede daardoor een positieve houding hebben ten aanzien van
verbeteren, veranderen en leren.
Ze bestaan ook uit mensen die
voortdurend leren van hun fouten, kennis met elkaar delen, elkaar vertrouwen en
open met elkaar communiceren, leiders die coachen, helpen, inspireren,
motiveren, stimuleren en intuïtie laten meespelen bij het nemen van
beslissingen, alsmede processen die voortdurend worden geëvalueerd op basis
prestatie-indicatoren en feedback. Lerende organisaties vereisen andere soorten
mensen; mensen die hun traditionele manier van denken loslaten, hun eigen
vaardigheden voortdurend ontwikkelen, open staan voor verandering, begrijpen hoe
de gehele organisatie functioneert, gezamenlijk de gemeenschappelijke ambitie
van de organisatie formuleren en in teamverband als eenheid deze ambitieuze
droom trachten te verwezenlijken.
Deze basiselementen van lerende
organisaties zijn mede gebaseerd op de ervaring van mensen. Zo blijkt in de
praktijk dat het tempo waarin de bekwaamheden van een onderneming toenemen in
belangrijke mate wordt bepaald door de efficiency waarmee men van ervaringen
leert. Voor een optimaal leereffect moeten mensen over een zekere scholing
beschikken en vooral de kans krijgen om ervaring op te doen, omdat mensen met
ervaring sneller leren.
Voortdurende aandacht voor
competentieontwikkeling speelt een essentiële rol in lerende organisaties. In
dit artikel wordt verder volstaan met de weergave van een aantal functiegerichte
competenties met bijbehorende gradaties, welke gerelateerd zijn aan lerende
organisaties.
Het is
gebaseerd op mijn nieuwste boek, getiteld “Total
Performance Scorecard; een speurtocht naar zelfkennis en competentieontwikkeling
van lerende organisaties” (Scriptum
Management, mei 2002).
|
Functiegerichte
competentie |
Competentie 1:
Leervermogen
___________________________________________________________________________
Relatief
belang: licht
?
?
? zwaar
____________________________________________________________________________
Definitie:
Nieuwe relevante
kennis voordturend inventariseren, evalueren, absorberen en
operationaliseren.
____________________________________________________________________
Gradaties:
1.
Stelt vragen:
Stelt open vragen,
raadpleegt beschikbare informatiebronnen en databanken, gebruikt beschikbare
informatie. Relevante kennisgebieden zijn: kostenanalyse, communicatie, HRM,
…….
2.
Past kennis toe:
Gaat er op uit om kennis
te vergaren, is bereid na te denken over problemen, integreert nieuwe kennis
in bestaande kennis. Neemt nieuwe feiten snel op en past deze correct toe.
3.
Graaft dieper:
Stelt vragen om tot de
kern van een probleem te komen en zoekt naar mogelijke oplossingen.
Genereert alternatieve oplossingen op basis van een heldere
probleemdefinitie. Is nieuwsgierig en leergierig.
4.
Actualiseert en mobiliseert kennis continu:
Kennis en leren zijn de belangrijkste resultaatgebieden in zijn Persoonlijke
Balanced Scorecard. Inventariseert, ontwikkelt, operationaliseert, evalueert
en mobiliseert kennis voortdurend. Leert van eigen fouten, verbetert eigen
vaardigheden en leert nieuwe aan. Weet welke kennis essentieel is, wie
daarover beschikt, hoe die kennis adequaat kan worden benut, hoe deze zorgt
voor toegevoegde waarde, hoe deze kan worden onderhouden en de kennis met
anderen kan worden gedeeld. Kent zijn eigen favoriete leerstijl en die van
anderen in zijn team.
5.
Stimuleert teamleren:
Identificeert in teamverband gemeenschappelijke problemen en lost deze op,
kent zijn eigen kernrollen en kernkwaliteiten alsmede die van anderen in
zijn team, creëert een leerklimaat waarin sprake is van positief denken,
creativiteit, verantwoordelijkheid voor bedrijfsprestaties en teamleden die
gemotiveerd zijn om behalve individueel ook collectief te leren.
|
|
Functiegerichte competentie |
Competentie 2:
Probleemoplossing
|
Relatief belang: licht
?
?
? zwaar
|
|
Definitie:
Systematische
oplossing van problemen op basis van de probleemoploscyclus
|
|
Gradaties:
1.
Maakt bij complexe problemen onderscheid in
deelproblemen:
Verdeelt ingewikkelde problemen in
deelproblemen. Geeft een omschrijving van problemen en bepaalt de grenzen
van het probleemgebied.
2.
Verzamelt informatie op systematische wijze:
Probeer aan zoveel mogelijke concrete informatie over het probleem te komen.
Raadpleegt hiertoe diverse informatiebronnen, zoals bijvoorbeeld resultaten
van enquêtes onder klanten, klachten van klanten, informatie over
procesprestaties en besprekingen met interne klanten. Verzamelt al deze
informatie en analyseert ze.
3.
Definieert problemen duidelijk:
Stelt de
probleemdefinitie zo concreet mogelijk vast en formuleert de gewenste
eindsituatie, teneinde de juiste oorzaak hiervan te kunnen vinden en op
grond hiervan creatieve oplossingen te kunnen genereren. Geeft de kenmerken
van het probleem duidelijk aan; stelt het gevolg vast, richt zich op het
verschil tussen hoe het is en hoe het zou moeten zijn, bevat een globale
meting van het probleem (hoe vaak, hoeveel, wanneer). Weet hierdoor ook waar
het probleem zich voordoet en welke aspecten hierbij een rol spelen.
4.
Brengt
processen in kaart om problemen te identificeren: Brengt bedrijfsprocessen
met behulp van stroomschema’s
in kaart en raadpleegt hierbij ook de direct bij het proces betrokken
collega’s. Verricht op verschillende punten in het proces metingen en
noteert voortdurend het aantal klachten van klanten, teneinde de details van
het probleem te begrijpen en de klanteneisen te vertalen in meetbare en
concrete specificaties.
5.
Gebruikt de brainstormtechniek en de
probleemoploscyclus om op systematische wijze creatieve oplossingen te
genereren:
Gebruikt op effectieve wijze de
brainstormtechniek om het probleem vanuit
alle dimensies te bespreken, in kaart te brengen en op grond hiervan
creatieve oplossingen te bedenken.Past de vijf W’s (wanneer, waar, wat,
wie en waarom) systematisch toe, teneinde zich te verzekeren dat
alle relevante vragen omtrent een probleem gesteld worden: Dus: Wanneer doet
het probleem zich voor? Wanneer is het voor het eerst opgetreden? Waar doet
het zich voor? Waar is de behoefte aan een oplossing het grootst? Wat is het
probleem? Wat zijn de gevolgen? Wat zijn de begrenzingen? Wie veroorzaakt
het? Wie worstelt momenteel met dit probleem? Wie heeft het veroorzaakt? Wie
is verantwoordelijk voor het vinden van een oplossing? Waarom doet het zich
voor? Waarom moet het opgelost worden? Hierdoor komt hij tot een duidelijke
specificatie van het probleem.
|
|
Functiegerichte competentie |
Competentie 3: Stressbestendigheid
|
|
Relatief belang: licht
?
?
? zwaar
|
|
Definitie:
Effectief blijven functioneren bij emoties, spanningen, conflicten, in
geval van tegenslagen en onder tijdsdruk.
|
|
Gradaties:
1.
Bedwingt zijn emoties:
Houdt met moeite zijn
emoties in stressvolle situaties onder controle. Heeft onder deze
omstandigheden enige moeite met het effectief blijven functioneren.
2.
Blijft
beheerst: Herkent eigen emoties en
irritaties en neemt afstand. Schakelt tijdig anderen in wanneer het teveel
wordt. Blijft beheerst reageren onder tijdsdruk, bij spanningen en emoties.
Laat zich er niet te veel door afleiden. Is goed in staat af te maken
waar hij mee bezig was.
3.
Gaat effectief met stress om:
Blijft bij hevige
emoties en onder tijdsdruk naar mogelijke alternatieve oplossingen zoeken en
blijft desondanks zijn werk adequaat uitvoeren. Blijft onder druk constante
prestaties leveren.
4.
Gaat
pro-actief met stress om:
Onderkent tijdig oplopende spanningen en emoties bij zichzelf en anderen. en
onderneemt acties om deze te reduceren. Denkt vooraf na omtrent de aanpak
van onverwachte problemen, spanningen, conflicten, tegenslagen en heftige
emoties.
5.
Straal
rust uit: Straalt onder alle
omstandigheden rust uit, hetgeen een positieve uitwerking heeft op de
teamprestaties. Kan
hierdoor rust in de organisatie bewaren.
|
|
Functiegerichte competentie |
Competentie
4: Coachen
|
|
Relatief belang: licht
?
?
? zwaar
|
|
Definitie:
Het helpen van
teamleden zich te ontwikkelen en optimaal in teamverband te presteren.
|
Gradaties:
1.
Biedt hulp aan teamleden:
Biedt hulp aan teamleden als er om gevraagd wordt. Speelt relevante
informatie aan hen door. Helpt hen hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden.
2.
Moedigt teamleden aan en
creëert betrokkenheid:
Moedigt teamleden aan wat betreft hun
sterke punten en ondersteunt hen wat betreft hun tekortkomingen. Spoort hen
aan, spreekt zijn waardering over hen uit, betrekt hen erbij en luistert
naar hun problemen.
3.
Creëert
voorwaarden voor effectief teamwork:
Creëert een basis van vertrouwen, respect en opencommunicatie. Zorgt voor
een sfeer die niet bedreigend is. Is gericht op persoonlijke dialoog,
doelen, evaluatie van gemaakte vorderingen, feedback over gedrag en
vergroting van het inzicht in het werk. Biedt ondersteuning die nodig is om
ervoor te zorgen dat teamleden bereid zijn de verantwoordelijkheid voor
gedelegeerde taken op zich te nemen.
4.
Begrijpt welke gedragstypen in zijn team aanwezig zijn en weet hoe deze
succesvol te coachen: Heeft de
vier gedragstypen (dominant-directieve type, sociaal-interactieve type,
gelijkmatig-stabiele type en bedachtzame type) van alle teamleden in kaart
gebracht en weet elk gedragstype succesvol te coachen. Heeft het vermogen de
rol van stimulator en mentor goed in evenwicht te houden met de overige
leiderschapsrollen en deze in een optimale mix te vervullen. Hij kent zijn
eigen teamrol en kernkwaliteiten alsmede die van andere teamleden.
Stimuleert en inspireert hen initiatieven te nemen, concrete doelen te
stellen en deze succesvol te realiseren.
5.
Zorgt
voor teamspirit en een klimaat van teamleren:
Creëert een klimaat van plezier, passie, toewijding en enthousiasme. Geeft
vorm en richting aan de inspanning van het team en creëert een klimaat
waarin teamleden elkaar vertrouwen, helpen, accepteren en waarderen, en
sterk gemotiveerd zijn. Is voortdurend gericht op het ontwikkelen en
mobiliseren van kennis van teamleden. Houdt de moraal in het team hoog.
|
|
Functiegerichte
competentie |
Competentie
5: Klantgericht handelen
|
|
Relatief belang: licht
?
?
? zwaar
|
|
Definitie:
Voortdurend voldoen aan de wensen
en behoeften van de klant.
|
|
Gradaties:
1.
Reageert op klachten:
Volgt klachten van
klanten tijdig op. Houdt de klant op de hoogte van voortgang hiervan.
2.
Onderhoudt relaties en bouwt deze uit:
Herkent
klantenwensen en signaleert kansen om klanten te binden. Is servicegericht,
luistert naar klanten en informeert naar hun tevredenheid. Voert hiertoe
regelmatig surveys uit.
3.
Bouwt
relaties op en verdiept deze:
Verdiept zich in de situatie van de klant. Ontwikkelt een relatie met de
klant en neemt voortdurend acties om de tevredenheid van de klant te
vergroten.
4.
Treedt
als partner op: Begrijpt de
situatie van de klant en speelt hierop met gepaste oplossingen in. Hij wordt
door de klant als partner beschouwd. Neemt persoonlijke verantwoordelijkheid
voor het corrigeren van problemen bij de klant.
5.
Verbeteren en vernieuwen vanuit ketendenken:
Vertaalt klantenwensen naar product- en procesverbeteringen, nieuw te
ontwikkelen producten en diensten. Onderneemt als partner ongevraagd extra
acties en biedt ongevraagd extra service.
|
|
Functiegerichte competentie |
Competentie 6: Luisteren
|
|
Relatief belang: licht
?
?
?
zwaar
|
|
Definitie:
Actief registreren en verwerken van woorden in de hersenen, en vervolgens
er iets mee doen; horen, begrijpen, onthouden en er vervolgens iets mee
doen.
|
Gradaties:
1.
Luistert selectief:
Luister alleen naar
feiten. Haakt af als iets saai of niet interessant is, let soms niet op,
luistert totdat hij iets te zeggen heeft, hoort graag wat hij verwacht, doet
soms alsof hij luistert en is gespitst op punten van onenigheid.
2.
Luistert actief:
Is stil terwijl de ander
zijn mening aan het geven is, tracht te begrijpen wat de ander bedoelt en
haakt hierop in. Komt terug op wat eerder in een gesprek gezegd is. Pakt
onduidelijke uitspraken of signalen op over gevoelens en bedoelingen van
anderen. Stelt open-vragen om er achter te komen of de gemaakte inschatting
van de ander juist begrepen is.Vat de boodschap van de ander correct samen.
3.
Maakt een juiste inschatting van wat is gezegd:
Schort
zijn oordeel op en trekt geen voorbarige conclusies voordat de ander is
uitgepraat. Begrijpt zowel de inhoud als het onderliggende aspect in een
boodschap. Verplaatst zich in de positie van
de ander en kan hierdoor een juiste inschatting maken van wat is gezegd.
Laat anderen in hun waarde en laat dit blijken. Heeft begrip voor de
situatie van de ander en speelt hier op effectieve wijze in.
4.
Concentreert zich op de inhoud:.
Laat zich niet afleiden door externe storingen en de wijze van presentatie.
Concentreert zich op de inhoud en niet op de verpakking. Gebruikt kennis en
begrip van anderen om op reacties van hen te anticiperen. Begrijpt het
effect van uitspraken en acties op de ander.
5.
Begrijpt onderliggende gedachten en gevoelens:
Bereidt zich mentaal voor om te gaan luisteren. Luistert kritisch en
intensief naar de hele boodschap; luistert naar ideeën, gevoelens, intenties
en feiten, en haalt zo de belangrijkste thema’s eruit. Begrijpt hierdoor de
onderliggende reden voor gevoelens, gedachten en zorgen van anderen.
|
|
Functiegerichte
competentie |
Competentie 7: Overtuigingskracht
|
|
Relatief belang: licht
?
?
? zwaar
|
|
Definitie:
Anderen op effectieve wijze
overtuigen van een bepaald standpunt, gericht op het verkrijgen van
instemming en het creëren van draagvlak en commitment
|
|
Gradaties:
1.
Onderneemt een enkele actie om te overtuigen:
Gebruikt concrete voorbeelden, feiten en argumenten om anderen in een
discussie te overtuigen. Doet onvoldoende pogingen om aan te sluiten bij
interesse van de ander.
2.
Onderneemt gecoördineerde acties om te
overtuigen:
Neemt meerdere stappen om te overtuigen.
Stuurt informatie omtrent problemen waarmee de organisatie te kampen heeft.
Onderbouwt voorstellen goed en stelt duidelijke resultaatverbetering in het
vooruitzicht. Geeft aan hoe het een en ander gerealiseerd zal worden. Heeft
er plezier in de ander te winnen voor zijn opvattingen.
3.
Gebruikt indirecte invloed:.
Gebruikt daarnaast experts of schakelt andere collega’s in om te
beïnvloeden. Doseert zijn argumenten en standpunten op beslissende momenten.
4.
Gebruikt beïnvloedingsstrategieën:
Bouwt coalities en creëert ‘achter de
schermen’ steun voor ideeën. Geeft bewust informatie om iets te
bewerkstelligen. Maakt duidelijk dat in het extreme geval overleving op
langere termijn op het spel staat.
5.
Hanteert rigoureuze manieren om te overtuigen:
Staat toe dat er fouten gemaakt worden, in
plaats van deze op het laatste moment te corrigeren. Verstuurt informatie
die de eigen zakheden aan het licht brengen. Staat erop dat medewerkers
regelmatig communiceren met ontevreden klanten en dat ze verantwoordelijk
zijn voor de teamresultaten. Zorgt ervoor dat de huidige situatie als
negatief wordt ervaren en creëert hierdoor ontevredenheid omtrent de huidige
situatie. Probeert sceptici op deze wijze te overtuigen van de noodzaak tot
verbetering en verandering.Vertelt medewerkers wat de consequenties zijn bij
het niet behalen van de afgesproken resultaten. |
|
Functiegerichte
competentie |
Competentie 8: Visie
|
|
Relatief belang: licht
?
?
? zwaar
|
|
Definitie:Een
langere termijn droom en het veranderingstraject dat nodig is om daar te
komen; weet waar hij met zijn organisatie naartoe wil, welke waarden en
principes hem op weg daar naartoe geleiden, waar hij voor staat, wat hij wil
helpen realiseren en wat zijn ideaal is.
|
Gradaties:
1.
Heeft zijn Persoonlijke
Balanced Scorecard geformuleerd:
Gebruikt dit als instrument voor voortdurende persoonlijke verbetering,
overeenkomstig de Deming cyclus.
2.
Denkt
strategisch:
Participeert actief bij de formulering van de strategische organisatievisie.
Handelt in overeenkomst hiermee en brengt op basis hiervan prioriteiten in
zijn werk aan. Ziet hierdoor ook kansen en mogelijkheden op de langere
termijn en kent de weg die hier naartoe leidt.
3.
Brengt zijn scorecard in lijn
met zijn team scorecard:
Heeft zich vereenzelvigt met de
organisatiemissie en -visie. Zijn persoonlijke missie, visie en kernrollen
zijn terug te vinden in de organisatiemissie, -visie en kernwaarden en zijn
afdelings en team scorecard.
4.
Vertaalt
de strategische organisatiemissie en –visie in
operationele doelen en concrete taken:
Stelt prioriteiten, met de juiste balans tussen
korte en lange termijn. Vertaalt de strategische visie van de organisatie in
operationele doelen en activiteiten en omgekeerd. Vertaalt externe en
interne ontwikkelingen voortdurend in doelen en verbeteracties. Evalueert en
actualiseert op grond hiervan de scorecards continu. Ontwikkelt nieuwe
strategieën om de organisatievisie te verwezenlijken.
5.
Heeft
een vooruitziende blik en kan het onvoorzienbare voorzien:
Heeft het vermogen te bepalen welke kant zijn team/afdeling/organisatie op
moet gaan. Heeft het talent om opvallende trends te herkennen en tijdig
hierop te anticiperen. Maakt het onderscheid tussen wensdromen en harde
feiten. Kan medewerkers overtuigen dat de gekozen weg de juiste is en laat
hen zien hoe hun werkzaamheden tot het grotere geheel bijdragen. Draagt de
organisatievisie en hoge normen & waarden daadkrachtig uit, zodat een
bedrijfsgevoel ontstaat.
|
Dit artikel
is gebaseerd op het nieuwste boek van de auteur, getiteld “Total
Performance Scorecard; een speurtocht naar zelfkennis en
competentieontwikkeling van lerende organisaties”
(Scriptum Management, augustus 2002). Hubert Rampersad is manager van Quality
Management Consulting te Rotterdam. Voor nadere informatie zie:
www.qmconsulting.nl en
www.Total-Performance-Scorecard.com
Tip: Kijk ook eens naar
het
artikel over invoeren van competentiemanagement.
|